Licht in huis

Wanneer de mens voor het eerst vuur maakte is niet meer te achterhalen. Vuur was bij nagenoeg alle primitieve volken bekend.
Het kampvuur diende voor warmte, het bereiden van eten en om wilde dieren op afstand te houden. Maar het vuur gaf ook licht en zo kon men de dag verlengen.
Meegenomen in het onderkomen (grot, hut en later in huis) werd de belangrijkste functie van het vuur het geven van licht. Tot begin 20e eeuw was in veel huizen het haardvuur de enige lichtbron. 

Men leerde fakkels, toortsen en flambouwen gebruiken voor licht onderweg en in de grot. De komst van de vuurkorf zorgde ervoor dat men vuur kon verplaatsen zonder het te doven. Vuurkorven zijn nooit meer weggeweest: ze zijn nog steeds te koop. 

Daglicht door het raam bleef belangrijk. Veel gilden kenden de bepaling dat alleen bij daglicht gewerkt mocht worden. Kunstenaars werden er door geïnspireerd.

Een verplaatsbare lichtbron binnen was de kienspaan, een spaander kienhout uit het veen (de Peel) in een houder geklemd, die door het hoge harsgehalte een heldere vlam gaf. Pitrus, een speciaal behandelde biezensoort, gaf een gelijk resultaat.

Olie- en vetlampen waren al bekend in de prehistorie. Een aardewerk bakje of een schelp met water waar olie en een pit op dreef. (Werd ook in WO II gebruikt). Later een gesloten bakje met vulopening, een tuitje waar de pit door naar buiten stak en een lekbakje of gootje om de aflopende olie op te vangen.
Er ontstonden allerlei vormen van ijzer, koper (de “snotneus”), aardewerk en soms zilver. De Godslamp in de RK kerk (v.a. 14e eeuw) is een olielamp die brandt op olijfolie.
In de loop van de 18e eeuw kwamen verbeteringen tot stand: een platte pit met een brander, gaatjes voor de luchttoevoer, een beter reservoir en het trekglas. In 1783 verbeterde Argand de luchttoevoer van de brander. 
Kaarsen waren bekend bij de Etrusken en Romeinen. Als grondstof werd dierlijk en plantaardig vet en later was gebruikt. Kaarsen maakte men zelf. Het huishoudelijk gebruik bleef tot de 15e eeuw beperkt. Tegenwoordig gebruikt men mengsels van was, stearine en/of paraffine. Kaarsen worden nog volop gebruikt, niet meer als verlichting maar voor de gezelligheid. 
Kandelaars waren nodig om de kaars vast te houden. Vanaf het eenvoudige blakertje, houten, aardewerk of ijzeren pin- of pijpkandelaar tot de kostbare kunstuitingen van de zilversmeden.

Lantaarns beschermden de vlam tegen de wind. In een metalen huisje met ventilatieopeningen in het dak kon men een kaars of olielampje zetten. Soms met een spiegel tegen de achterwand voor meer licht voorwaarts. Bekend is de koetslantaarn. Uit de lantaarn ontwikkelde zich de straatlantaarn. Nog steeds worden lantaarns gemaakt, veelal met elektrische lichtbron. 

Petroleumlampen bleken in het midden van de 19e eeuw de oplossing voor verlichting. Een verbeterde Argandbrander, het juiste trekglas, een stelwieltje. Een lamp waarbij men goed kon lezen en handwerken.
Door de industriële revolutie werd het mogelijk om de petroleumlampen in grote aantallen en goedkoop te vervaardigen.

De stormlantaarn was een combinatie van petroleumlamp en lantaarn. Door het ruime lampenglas was deze redelijk brandveilig en bruikbaar in stal of schuur.

De petroleumvergasser is een petroleumlamp waarbij het reservoir m.b.v. een pompje onder druk wordt gezet. De petroleum stijgt op in een buis en vergast – na voorverwarming – in een kousje. Het licht van deze lamp is ongeveer gelijk aan een elektrische lamp van 100 Watt!
Stormlantaarn en petroleumvergasser worden nog steeds vervaardigd en gebruikt waar geen elektriciteit voorhanden is.
Gas werd in de plaatselijke gasfabrieken geproduceerd (Venlo en Venray) vanaf einde 18e begin 19e eeuw. Aan het platteland ging het gastijdperk nagenoeg voorbij, hoewel men hier ook wel gebruik maakte van butaangas verpakt in gasflessen.

Elektriciteit deed zijn intrede in de jaren 80 van de 19e eeuw. Particulieren staken geld in iets nieuws met een vage toekomst. Steden hadden hun gasnet en op het platteland was men ook tevreden. Gemeentes waren dan ook veelal afwachtend met het introduceren van “stroom”. Elektriciteit werd beschouwd als een luxe, als een speeltje voor de rijken. Iets wat men zich in deze tijd bijna niet kan voorstellen! Men kon zich ook niet indenken dat “stroom” zich door een koperdraadje razendsnel voortbeweegt.
Reizigers gingen met bakfietsen op pad om strijkijzers, broodroosters, boilers, pompen, motoren e.d. aan de man te brengen. Zo probeerden elektriciteitsbedrijven de mensen er toe te bewegen de gemeentes onder druk te zetten om op het elektriciteitsnet te worden aangesloten. 
In Limburg werd kort voor 1900 de eerste stroom opgewekt door de Staatsmijnen voor de aandrijving van machines, liften, motoren en terreinverlichting. De overtollige stroom trachtte men te verkopen aan gemeentes. Valkenburg kreeg in 1900 als eerste stroom, van een particulier bedrijf. Maastricht in 1902 (Staatsmijnen), Heerlen 1902 (gemeentelijk energiebedrijf), Venlo 1909 (particuliere Peelcentrale). 
In 1909 werd de Stroom Verkoop Maatschappij (SVM) opgericht. Deze ging voortvarend te werk. In 1933 ging de SVM op in de PLEM. In de jaren 80 en 90 ging de PLEM op in Lima-Gas, deze weer in Mega Limburg, de PNEM kwam er bij en ten slotte werd het Essent.