Openluchtmuseum de Locht is doorlopend op zoek naar nieuwe mensen die ons team komen versterken. Wil je meer weten over de mogelijkheden, neem dan contact op met onze vrijwilligerscoördinator via vc@delocht.nl of neem contact op met het secretariaat, tel. 077-3987320.

Kijk hier voor onze vraag naar vrijwilligers

In Openluchtmuseum de Locht werken uitsluitend vrijwilligers. Er zijn op dit moment meer dan 200 mensen die zich inzetten voor “De Locht”.
Vrijwilligers doen heel uiteenlopende dingen: het ontvangen van gasten, rondleidingen voor groepen verzorgen, activiteiten met kinderen doen, oude ambachten uitoefenen, de horeca bemensen, de tuinen bijhouden, tuin- en landbouwgewassen verzorgen, gebouwen onderhouden, nieuwbouw plegen, onderhouden van het machinepark, de collectie beheren en tentoonstellingen opstellen, de PR verzorgen, ICT beheren, het secretariaat bemensen en nog veel meer. Wij zoeken bijvoorbeeld een klompenmaker! Ook is het mogelijk om bij Openluchtmuseum de Locht stage te lopen als scholier of student. Kijk hier voor de vacatures.

Koninklijke onderscheiding voor Theo Spronk

Theo Spronk is benoemd als lid in de Orde van Oranje Nassau.

Hij ontving de onderscheiding uit handen van burgemeester Gilessen.
Het college van B&W van Venray en alle vrijwilligers van het museum feliciteren hem van harte met deze bijzondere gebeurtenis.

Vrijdag 26 april 2019

Vrijwilliger van de maand

Elke maand wordt een van de vele vrijwilligers hier naar voren gehaald. Het gaat niet om bijzondere prestaties. Elke vrijwilliger van Openluchtmuseum de Locht is bijzonder! En het is goed om van tijd tot tijd op een van de vrijwilligers de aandacht te vestigen. Heb je een tip? Meld het even bij de directeur.

  • Den Bau

    Waar komt het woord vandaan? Bauern, uit het Duits? Ik weet het niet, maar bij ons was het de oogsttijd en dan van het graan. Bij de Locht zijn we er de afgelopen week volop mee bezig geweest. Veel bezoekers hebben onze boeren weer bezig gezien. En dat doet je dan weer denken aan de tijd van vroeger, zoals het oogsten destijds  bij ons thuis verliep.
    De oogsttijd was een drukke, maar gezellige tijd. Het graan werd geoogst. En oogsten is altijd fijn. Na alle arbeid, het ploegen, zaaien, bewerken, bemesten en hopelijk genoeg regen, kon er geoogst worden. Met Palmpasen hadden we een palmtakje op het veld in de grond gestoken, dat zou zeker een goede invloed hebben. Was het niet op het graan, dan maar op onszelf.

    Bij mooi weer ging mijn vader, nadat hij de zicht gehaard (korte zeis, scherp gemaakt) had, alvast “aanmaaien”. Dat was de hoeken van het land en één lengte ernaast maaien, zodat het paard met de maaimachine er langs kon. Toen ik, vlak na de oorlog, nog te klein was om dat zware werk mee te doen, we moesten trouwens naar school, moesten we wel na schooltijd “zeumeren”. Dat is de nog losliggende aren oprapen en er kleine “busseltjes”, bosjes, van maken om tussen de garven (schoven) te steken. Tijdens het aanmaaien bond mijn moeder of de knecht de garven. Een bosje stro er omheen en dat dan op een bepaalde manier knopen. Later kwam vader met het paard en de maaimachine. De meid zat dan op een stoel om het paard te sturen en mijn vader maakte de bussels op de machine en moest die dan ”afleggen”. Zo bleef er steeds een bussel achter die dan tot een garve werd gebonden.

    Eerst mochten mijn oudere broer of zus het paard sturen en later, toen ik een jaar of 13 was mocht ik op de machine, om het paard met de leidsels te sturen. Dit was niet altijd zo gemakkelijk, het paard wilde wel eens te dicht naast de rogge lopen, om een hapje te pakken. Dat was niet goed met maaien, want dan kwam de machine met de messenbalk te dicht bij het graan. “Hey vort”, riep vader dan. Dan wist ik dat hij iets verder ervandaan moest blijven. Liep hij te ver van het graan, dan riep hij: “Hey nao! Dan wist ik dat hij iets dichter bij het graan moest lopen. Later kwam mijn jongere broer op die zetel en moest ik mee gaan binden. Best zwaar werk, vooral als het warm was.

    Om twaalf uur, was het middageten en kwam moeder of de meid met een grote schotel met “bookeskook” en een grote kan koffie, dan gingen we lekker op het veld onder een  boom of struik zitten om te eten. Na het eten ging iedereen even op de rug liggen om een beetje te rusten. Als het paard zijn kopzak met haver leeg had en genoeg water had gedronken, konden we verder werken. Als de rogge gemaaid was, moesten alle garven in hoopjes van 6 of 8 gezet worden om verder te drogen.

    Afhankelijk van het weer konden we dan na twee weken de mijt zetten. Met paard en wagen langs de rijen met hoopjes, ik moest vaak de garven “opsteken” en mijn broer de wagen laden. Met een hoog geladen wagen gingen we dan op de hoek van het veld de mijt zetten. Eerst takkenbossen er onder, voor het drogen van de onderlaag en dan in lagen de mijt zetten. Mijn vader deed dat in principe zelf. Dat was echt vakwerk. In de winter werd er dan gedorst. Aan het einde van de oogst was er in Sevenum het bekende oogstfeest met zijn geweldige oogstcorso. Tientallen prachtig versierde wagens trokken dan door het dorp en naderhand was er een groot feest. Als lid van de harmonie van Grubbenvorst trokken we ieder jaar mee in deze optocht waarna  het oogstbier volop vloeide.
    Ook bij ons stond de tijd niet stil en we kregen rond 1952 een tractor en in 1955 ook een zelfbinder. Dat maakte het werk lichter en alles verliep sneller. Maar ook toen, met die eerste zelfbinders was het vaak moeilijk. Als ik door de schuur bij de Locht loop, zie ik hem steeds staan. Wij hadden bijna dezelfde.

    Het was een blije tijd… want het was oogsttijd.

    Jan Huys

  • Nonnen en meisjes

    Aan het einde van de 19e eeuw kwamen veel Duitse kloosterlingen naar Limburg, meer dan 40 kloostergemeenschappen. Het had alles te maken met het beleid van Bismarck en zijn agressie ten opzichte van Rooms Katholieken. De kloosterlingen zochten en vonden een bezigheid in de gezondheidszorg,( het begin van het Groene Kruis) en in het onderwijs.

    Doordat de scholen vanaf die tijd het hele jaar open waren steeg het aantal leerlingen jaarlijks. Niet, dat er voor die tijd geen onderwijs was. Alleen in de winter waren de scholen open, in de zomer werkten de kinderen mee op het land. Leren lezen was gratis. Kinderen moesten een boekje meebrengen en de meester leerde hen daaruit lezen. Om te leren rekenen moest je betalen, iets wat  veel mensen zich gewoon niet konden veroorloven.

    Meisjes vielen veelal buiten de boot. In 1910 had 90% van de kinderen de hele lagere school doorlopen. Van grote invloed was de opkomst, tussen 1885 en 1910, van de LLTB en de Boerenbond. De mening veranderde: een boerin die kon rekenen en lezen had toch wel voordelen . . .  Vanaf 1925 ontstonden de Landbouwhuishoudscholen, in Limburg vanuit Posterholt waar de leraressen werden opgeleid. Dit bleek een gouden greep. Het onderwijs was dan wel sterk praktijkgericht, maar de meisjes leerden ook andere dingen zoals een huishoudboekje bijhouden of  een goede brief opstellen. Vrouwen gingen zich verenigen in de Boerinnenbond, niet alleen gezelligheid, maar ook cursussen en ervaringen uitwisselen.

    Bij de officiële opening van de school in Horst gaf mej. Kleuters van de overkoepelende organisatie in haar speech aan, dat bij de vele natuurlijke aantrekkelijkheden, die de jeugd van nature heeft nog een belangrijke bijkomt, dat de afgestudeerde meisjes door de hier verworven kennis bij de huwbare jongelingschap een zekere voorkeur krijgt!

    Tot lang na de oorlog waren veel mannen de mening toegedaan dat vervolgonderwijs voor meisjes overbodig was. Immers: zij trouwen en krijgen kinderen. Opleiding is zonde van de moeite en van het geld! Die vrouwen, die  knokten voor scholing van hun meiden, bleken zelf bijna allemaal de Huishoudschool te hebben afgemaakt. Zij zagen de voorsprong, die onderwijs opleverde. Maar de invloed van de kerk bleef hier groot:  de pastoor was voorzitter van het school- en kerkbestuur en geestelijk adviseur van bijna alle organisaties. De Kapelaan werd geestelijk adviseur van de overige verenigingen. Complete controle.

    Naschrift:
    Het duurde nog tot begin 70er jaren eer er grote veranderingen optraden en vrouwen niet meer financieel afhankelijk waren van hun echtgenoot. Officieel hadden vrouwen al dezelfde rechten als mannen, maar in de katholieke onderwijsbesturen hanteerde men zo zijn eigen regels. In mijn aanstellingsakte van het onderwijs uit 1967 stond als reden voor ontslag: 1. onzedelijk gedrag, 2. huwelijk! Ging je niet trouwen, maar samenwonen, dan viel je onder de eerste categorie, ging je trouwen, dan trad 2 in automatisch in werking.
    De lonen voor vrouwen lagen ook lager, dan die van mannen in dezelfde functie, zij waren tenslotte kostwinner. Pas onder invloed van bewegingen als “Dolle Mina” en “Baas in eigen buik” verwierven vrouwen meer rechten. De anticonceptiepil kwam ter beschikking, zodat zwangerschap te reguleren was, hoewel de officiële kerk daarop tegen was en nog steeds is.
    Nu, 50 jaar later, zijn de rollen omgedraaid en moeten vrouwen voor hun eigen inkomen zorgen. Of het voor vrouwen allemaal gemakkelijker is geworden?

    Gérard Achten
    met een naschrift van Marlé de Laat