Een dag van een boerenzoon 2, de winter

In de zomer was het bij ons op de boerderij altijd erg druk. Ik heb daar eerder over geschreven, maar ook in de winter was er van alles te doen.

We staan vroeg op, want de koeien, die nu op stal staan, moeten gemolken worden. Rond 1954 hadden wij nog geen elektriciteit, dus als moeder riep, deed je eerst het kaarsje aan op de stoel naast het bed, om je vervolgens in het halfdonker aan te kleden. Want, ondanks de winter, moest je evengoed om 6 uur uit bed. Er werden wat petroleumlampen aangemaakt en in het halfdonker maakten we alles klaar om te gaan melken. De dag begon met melken. Om de vier weken kwam de zogenaamde “melkschepper”. Hij kwam van iedere koe een klein beetje melk halen. Die werd vervolgens  gekeurd op zuiverheid en vetgehalte. Hiernaar werd ook de prijs bepaald die de boer kreeg voor zijn  melk. Tegenwoordig wordt, geloof ik, naar eiwitgehalte betaald. Na het melken gingen we eerst ontbijten, het werd dan al een beetje licht.

Na het ontbijt gingen we de mest achter de koeien verwijderen  en het met een  kruiwagen naar de mestvaalt buiten brengen. Daarna voerden we de varkens, meestal deed moeder dat, maar in de winter konden we haar helpen. Het volgende karwei was de kippen voeren.  Wij hadden thuis een zogenaamd vermeerderingsbedrijf. We mochten meer kippen houden dan normaal, 600 stuks ( dat was na de oorlog 300). Je moest dan goede hokken hebben. Per twintig kippen hadden we een haan. De eieren gingen naar de broederij en de kuikens die daaruit kwamen gingen weer naar gewone bedrijven. Het Productschap voor Pluimvee bepaalde het aantal dieren dat een boer mocht houden.

In de winter mengden we voor de kippen meel met warm water,  dat vonden ze heerlijk. In alle vroegte sjouwden we twee volle emmers  naar de hokken. De kippen werden in de winter “bijgelicht”, dat bevorderde de leg, maar omdat we geen elektriciteit hadden gebeurde dat met een petroleumvergasser. Dat is een lamp waaraan een vaatje, gevuld met petroleum zat, met een kousje erin. Die petroleum werd verhit met spiritus en het tankje werd op druk gepompt, zodat de petroleum zeer fijn verdeeld, in het kousje kwam, waar hij verbrandde en daarbij een fel licht gaf. Iedere morgen en avond vond dit ritueel weer plaats.

Nadat de mest achter de koeien verwijderd was, moesten de koeien gepoetst worden met een harde borstel. Dan bleven ze mooi schoon en dat borstelen vonden ze heel aangenaam.
Na het voeren van de koeien,  meestal met gesneden mangels (grote voerderbieten) en koeienkoekjes, werd er water in de voerbak gepompt zodat ze konden drinken. Op woensdag en zaterdag moesten de varkensstallen uitgemest worden en kwam er vers stro in.  Dit werd gesneden op een snijklots. (te zien op de deel in de Locht)

Dan was het ongeveer 10 uur. Als het niet had gevroren, ging mijn broer vaak met het paard werken, meestal ploegen. Hij verzorgde het paard, dat natuurlijk eveneens gevoerd en gepoetst werd.  We moesten ook vaker mest laden om die daarna in hoopjes op het veld te leggen, waarna we het met de riek verder verspreidden. Had het gesneeuwd dan werden er wat paadjes naar de stallen sneeuwvrij gemaakt. De rest van de voormiddag moest ik vaak hout zagen of hakken, want er werd volop  hout gestookt bij ons.

Om 12 uur werd er warm gegeten. Na de middag kregen de koeien en kalveren wat hooi  en gaven we ze nog een keer water. Als er even niets te doen was, zei vader: “Ga maar achter in de schuur mangels schoon maken” . Je moest het zand eraf krabben met het dekseltje van een schoenpoetsdoosje. Of je ging spijkers recht slaan, zo konden die vaker gebruikt worden. Had het heel hard gevroren, dan mochten we na de middag ook wel een paar uurtjes gaan schaatsen op de Molenbeek in de buurt.

Rond 5 uur ‘s middags moest er weer gemolken en gevoerd worden. Meestal gingen we om 7 uur ’s avonds eten. Dat avondeten bestond vaak uit gebakken aardappelen met een ei  en “karnemelksepap”. Soms kregen we alleen boterhammen belegd met kaas, ham, of worst en we aten ook wel eens balkenbrij bij het brood. In elk geval namen we altijd stroop als beleg, dat hoorde erbij. Toen was er nog geen Lochtstroop, de stroop kwam meestal van Hesen uit Horst. Waar nu het zwembad is, was toen een stroopmakerij. Na het eten werd de rozenkrans gebeden. Daarna maakten we eventueel nog bonen schoon voor de soep of we gingen nog een potje kaarten.

Op vrijdagavond ging ik altijd samen met mijn broer naar de repetitie van de Harmonie in Grubbenvorst. Ik, met de klarinet achter op de fiets en mijn broer met de trombone. Eén keer per maand was er een vergadering van de Jonge Boerenvereniging. TV was er niet en om 22.00 uur lag iedereen in bed.

Jan Huys