De kippendokter (1)

Bij ons thuis noemden ze mij de kippendokter. Als jongen in het boerengezin, hield ik me graag bezig met de kippen. Ik las er ook veel over.
Ik volgde in Horst, één dag in de week, een cursus over pluimvee. Leraar was  de bekende Toon van Stratum, uitvinder van de “kippenbril”, die kannibalisme onder de kippen moest voorkomen. Kippen leefden hun onderlinge agressie uit door verenpikkerij (“uitpikken”) en dat kon er heftig aan toe gaan, tot bloedens toe. In ons museum kun je die kippenbril nog vinden in het kippenhok.

Toon van Stratum was ook directeur van het Pluimveeproefstation aan de Spoorstraat in Hegelsom. De cursus werd gegeven in de oude Tuinbouwschool aan de Schoolstraat. Collega Jan Hoeijmakers was een van mijn medeleerlingen.

Bij ons thuis hadden we, kort na de oorlog, een paar honderd kippen. Enkele families uit Blerick kwamen af en toe eieren aan huis kopen. Één keer per week bracht ik 20 eieren naar familie van Driel in Blerick, oudere mensen met een klein stoffenwinkeltje. De rest van de eieren werd elke week naar een eierverzamelplaats in het dorp gebracht. In Grubbenvorst was dit verzamelpunt bij Stappers in de Kerkstraat. Het eiergeld konden we ophalen op de zondag na het inleveren. Na de hoogmis kregen we van Stappers het zakje met eiergeld. Hij zat dan in de keuken aan een tafeltje, en iedereen liep er langs om zijn “buit” in ontvangst te nemen.

Om wat extra bij te verdienen hadden we ook mestkuikens. In een aparte schuur werden er 1000 van die kleine kuikentjes gezet, onder verschillende “kunstmoeders”. Dat waren kolengestookte kachels met een grote kap boven de kuikentjes, zodat de kuikentjes warm bleven. ’s Nachts moest je een paar keer uit bed om kolen bij te stoken. Onze kuikentjes waren van het ras “Noord Hollandse Blauwe”, een goed ras om te mesten. Tegenwoordig zijn mestkuikens binnen zes weken groot genoeg voor de slachterij; in die tijd duurde dat twaalf weken. Het verschil is het resultaat van het kweken van geschiktere rassen, verbetering van het voer en goede hygiëne. In die tijd probeerde men ook al de productie te verhogen op een andere manier… Bij ons kwam de “pluimveeselecteur”, die schoof bij ieder kuiken een klein pilletje onder de hoofdhuid. Dit was natuurlijk een antibioticum. Ze werden daar heel rustig van en groeiden sneller. Die werkwijze is later gelukkig verboden.

Vlak na de oorlog mocht men maar 300 kippen houden, dat was bij wet geregeld en werd door het “Productschap voor Pluimvee en Eieren” vastgesteld. Als je een vermeerderingsbedrijf had, mocht je er 600 houden.

Ik vond het werk met kippen en kuikens leuk en deed het graag. Dat hadden mijn ouders in de gaten en daarom durfden ze het aan om te proberen een vermeerderingsbedrijf te krijgen. Je moest dan aan een aantal eisen voldoen,   hokken moesten groot genoeg zijn, voldoende voer- en drinkbakken. De hokken moesten goed schoon gehouden worden en de kippen moesten goede uitloop hebben. De jonge kippen, nog niet aan de leg, moesten in zogenaamde koloniehokjes een aantal weken naar buiten, waar ze extra sterk werden. Wij kregen gelukkig de status van vermeerderingsbedrijf. Je mocht dan 600 kippen houden, met per 14 kippen een haan, voor een goede reproductie.

Er waren heel wat kippenrassen, zoals: New Hampshire, Barnevelder, Checker, Hy-line en Lakenvelder. Sommige rassen waren gefokt voor de vleesproductie, andere voor eierenproductie.
De Hy-Line was een heel lichte kip uit Amerika, een geweldige “legger”, maar erg schuw en gevoelig voor een verlammingsziekte (Marekse verlammimg).
Bij de Locht hebben we nu Vorwerkkippen, met Lakenvelder “bloed”: dat kun je zien aan de mooie donkere verenkrans. Het is een mooie kip, maar een niet al te beste legger en een beetje schuw.

De eieren van een vermeerderingsbedrijf gingen naar een kuikenbroederij.  De kuikens die daar uitgebroed werden gingen naar de gewone boerenbedrijven. Wij leverden eieren aan broederij Kleuskens in Horst (Herstraat waar later Dalsem was gehuisvest) en aan Weijs in Maasbree.
Je moest precies bijhouden hoeveel eieren er gelegd werden. Regelmatig kwam een inspecteur de productie noteren en kijken of alles nog in orde was.

wordt vervolgd door kippendokter,

Jan Huys