|
De keuken was de plaats waar men
vroeger het meest verbleef. Hier
werd gegeten en 's avonds een praatje gemaakt. Vaak was het
ook de enige verwarmde ruimte. De kachel werd gestookt met turf
uit de Peel.
|
|
|
De woonkamer werd alleen
gebruikt voor bijzondere
gelegenheden. Hier bewaarde men het mooiste wat men had. Nu
kan men de bedstee bezichtigen, en de collectie "toeren", de traditionele
klederdracht die na de oorlog in onbruik raakte.
|
|
|
De "stort", de bijkeuken. De stort
ontleent zijn naam aan het stortgat in de muur.
Na het schoonmaken van de vloer kon men het water
door dit stortgat naar buiten vegen. Hier werd de was
en de afwas gedaan. Door de aanwezigheid van een pomp
hoefde men in deze stort niet naar buiten voor water. Dat was vroeger zeker
niet algemeen.
|
|
|
In de kelder werden de etenswaren bewaard.
Onder de bedstee de aardappelen, want dit
was het enige vorstvrije plekje in vroeger dagen.
Conserveren deed men door wecken, drogen en in de ton
inmaken. Een voorbeeld van in de ton ingemaakt voedsel is zuurkool, "tonnemoos". |
|