wisselexpositie "Gewassen en gestreken"

Tot en met 4 juni 2010

Wassen was het werk van de vrouw. En dat was zwaar werk weten de ouderen onder ons wel.
In vroeger tijden wasten de vrouwen al keuvelend hun spullen aan de oever van de beek of rivier. In sommige dorpen was er een wasplaats aangelegd die gevoed werd door een beek.
Meestal moest er op het platteland water uit de put gehaald worden. De tobbe stond op de grond en men werkte gebukt. Later gebruikte men een wasbok.
Zomer en winter, altijd buiten. Hooguit onder een afdak of in een schuur.
50 tot 150 liter water putten en naar de tobbe sjouwen.

Eind 19e eeuw verscheen bij huizen en boerderijen de bijkeuken (de stort) met daarin een pomp. Het wassen gebeurde toen binnen. De houten tobbe werd vervangen door de teil.
Zaterdagavond werd de witte was in grote ketels in de week gezet. De weckketel bleek daar zeer geschikt voor. Maar ook de ketel in de stort waar het veevoer in werd gekookt voldeed uitstekend.
Op zondagavond werd er een zeepoplossing bijgedaan en de was werd gekookt op het fornuis of op een driepoot op gas. Door het water te verwarmen werd het wasgoed aanzienlijk schoner.

Maandag : wasdag
Om 6 uur stond de huisvrouw op en ging aan de slag. Aanvankelijk roeren met een stok maar een veel beter resultaat werd bereikt met de 17e eeuwse wasstamper die men al stotend en draaiend in het was plantte.
Aanvankelijk werd een houten wasbord gebruikt die in de teil werd gezet en met een borstel werd het vuil er uit geborsteld. Later gebruikte men het overbekende gegalvaniseerde wasbord.
Als het witte goed klaar was ging in hetzelfde sop het bonte en wollen goed
Daarna was het slepen met water om te spoelen en dan wringen met de hand.
Alles aan de lijn of op de bleek. Tussen door nog voor het eten en de kinderen zorgen
Aan het einde van de dag had de vrouw zo’n 400 kg verplaatst



 

De was op de bleek

 

Verbeteringen
Mannen mochten zich dan wel niet met de was bemoeien, blind voor het zware fysieke werk waren sommigen allerminst.
Gelukkig werden allerlei vindingen en verbeteringen aangebracht.
De loodzware houten tobbes en emmers werden vervangen door metalen verzinkte teilen en emmers. Er werd al vroeg gezocht naar mechanisatie. Men experimenteerde met houten bakken met zeepoplossing en kiezelstenen die men snel op een onderstel heen en weer kon bewegen. Of afsluitbare houten vaten die in een stellage hing en met een steel snel heen en weer bewogen kon worden.
Met de komst van het tandwiel kon een mechaniek worden bedacht die de wasstamper heen en weer bewoog. Het mechaniek kon zowel op de deksel als onder de tobbe worden bevestigd. Allemaal handmatig aangedreven met behulp van een zwengel of een steel die naast de wasmachine omhoog stak of een wiel met een handvat.
De ‘wasstamper’ werd een metalen constructie en de pootjes werden vervangen door houten plankjes met openingen om het sop door te laten.
Begin 1900 namen kleine elektromotoren de aandrijving over.
Deze machines werden door het volk wel ‘langzaamwassers’ genoemd.

Midden in de 19e eeuw kwamen ongeveer tegelijkertijd twee vindingen op de markt: de waspers en de wringer. Deze laatste wordt tot op de dag van vandaag nog vervaardigd.
Het principe van de centrifuge was al langer bekend en werd in wasserijen gebruikt. Pas in 1925 leverde Miele een dure compacte centrifuge voor in huis.

De trommelwasmachine
Die werkt anders. Hierbij draait de trommel in een reservoir met zeepoplossing. Eerst van hout met zijkanten van houten spijlen. Later van metaal met gaatjes. In het begin werden deze ook handmatig aangedreven.
Onder het metalen reservoir werd een stookplaats aangelegd, zodat de was gekookt en gewassen kon worden zonder dat het wasgoed overgeheveld hoefde te worden in een teil.
Toen ontstond de reclamespreuk: ”Een kind kan de was doen”.
In 1908 werd de elektrische trommelwasmachine geconstrueerd door Fisher.
In 1937 werd de eerste wasautomaat gebouwd. In 1947 verscheen de eerste bovenlader en in 1953 de eerste wasmachine met frontdeur. In 1959 was uit de wasmachine de droger ontwikkeld
In 1980 is de wasautomaat ontstaan die alles zelf doet. Die moet wel aangesloten kunnen worden op een waterleidingnet met constante druk. Waar dat net niet aanwezig is, wordt de langzaamwasser gebruikt, zoals in grote delen van de wereld.




 

Zeep
Veel huisvrouwen maakten vroeger zelf zeep. De as, liefst van beukenhout, werd aan de kook gebracht en al roerend werd er dierlijk vet of plantaardige olie aan toegevoegd. Het mengsel werd warm gehouden totdat het er vaseline-achtig uitzag. Dan goot men het in een vorm. Groene zeep maakte men van as van berkentakken en hennepolie.
Het stuk zeep werd boven het waswater gerasp, of in een klappertje door het warme water geslagen.
In 1907 ontwikkelde Henkel het wasmiddel Persil waarbij tijdens het wassen zuurstofbelletjes vrijkomen die een blekende werking hebben. Door blauwsel (poppetje blauw) aan het spoelwater toe te voegen werd de was ook witter. Vele merken wasmiddelen zijn op de markt verschenen

 

Strijken
Een van de meest alledaagse voorwerpen in huis is de strijkbout.
Strijken van linnengoed gebeurt al ruim 1000 jaar. De kleding die de adel droeg was gestreken.
Er werden strijkbouten vervaardigd van gebakken klei (keramiek) met bovenop een handgreep.
Toen men de kunst van het ijzergieten onder de knie kreeg, werden de keramiek strijkbouten nagemaakt van het langer warmte vasthoudende gietijzer. De vorm van het“strijkijzer” is tot in de 20e eeuw hetzelfde gebleven.
Verwarmen moest op het vuur en later op het fornuis. Er waren ook holle stijkijzers waarin je hete kolen kon doen. De komst van elektriciteit bracht het ingebouwde warmte-element. Naderhand met regelbare temperatuur. Thans is er het stoomstrijkijzer. En teruggrijpend op de laat-middeleeuwse techniek: met een keramiekzool.


Terug naar overzicht